"Op de keper beschouwd", zo sprak de coach, "is het docentschap eigenlijk maar een fluitje van een cent". De stagiaire keek verbijsterd voor zich uit; 'waarom kost het mij dan zoveel moeite?', dacht ze. De coach ging verder: "Je hebt drie elementen: jouw leerlingen, jij en de leerdoelen. Het is jouw taak ervoor te zorgen dat er een leerproces gaat ontstaan. Jij dit stuurt aan. Mijn vraag aan jou is, waar stuur je op?"
Schrijver dezes zat erbij en dacht: "leraren zijn eigenlijk geworden wat ze in hun vormende jaren helemaal niet wilden zijn: managers." Klassenmanagers, people's managers. In elke onderwijzers schuilt een Guus Hiddink, een Louis van Gaal, een Gertjan Verbeek of eventueel een Foppe de Haan. Deze mannen zijn niet alleen goede planners maar vooral ook tot de verbeelding sprekende leiders, met een geheel eigen stijl van leiding geven.
Leiders zijn leiders omdat zij anderen beinvloeden om (hun) plannen te realiseren. Leiding geven is een vak. Je kunt er studie van maken. Het eerste wat je daarbij leert, is dat leiding geven gebonden is aan mensen en aan een situatie. Welke vorm van leiding hebben brugpiepers nodig en welke leerlingen van havo 5? Effectieve leiders stemmen hun vorm van leiding af op (het niveau van) de groep. Afhankelijk van de bekwaamheid (skill) en de betrokkenheid (will) van de klas kan de docent wel vier stijlen van leiding geven hanteren:
Leiden (S1) is effectief, wanneer de klas beschikt over een laag competentieniveau en een hoge betrokkenheid
Begeleiden (S2) werkt het best bij klassen met een laag/gering competentieniveau en een lage betrokkenheid
(S3) Steunen is effectief bij klassen met een gemiddelde tot hoge competenties maar met wisselende betrokkenheid, terwijl Delegeren (S4) het best werkt bij professionals die zowel competent als betrokken zijn.
